Is een hogere onttrekking voor fosfaat dan wordt toegediend een probleem?

Het project ‘Vruchtbare Kringloop Achterhoek en Liemers’, zette de cijfers van ruim 200 KringloopWijzers op een rij. Daaruit bleek dat er in (het groeizame jaar) 2014 meer fosfaat aan de bodem was onttrokken dan  er aan was toegediend. Gemiddeld werd er op grasland 106 kg fosfaat per hectare aan de bodem onttrokken, terwijl er slechts 86 kg werd toegediend.

Kortom: een achteruitgang van de hoeveelheid fosfaat in de bodem. Op basis hiervan kan direct de vraag worden gesteld: hoe erg is dat en met het oog op de toekomst: in hoeverre heeft een daling van de hoeveelheid fosfaat in de bodem invloed heeft op toekomstige opbrengsten?

Op deze vragen zijn echter alleen een antwoorden met de nodige mitsen en maren mogelijk: Voor de beschikbaarheid van fosfaat voor de plant zijn twee posten van belang:  de directe beschikbare fosfaat (bemesting) en de fosfaat die wordt nageleverd door de bodem (PAL toestand) van belang.

In de Nederlandse landbouwgrond is tussen de  1.500 en 15.000 kilogram fosfaat per hectare aanwezig. Deze fosfaat is ingebouwd in de organische stof en aanwezig in anorganische vorm. Grofweg kan worden gesteld dat  1,25% van de organische stof bestaat uit fosfaat. Dus bij een organische stofgehalte in de bouwvoor van 4% zou circa 1250 kg fosfaat per ha organisch gebonden fosfaat in de bodem aanwezig zijn.

Hier heeft het gewas echter niets aan: gewassen nemen alleen fosfaat op uit de bodemoplossing. In de bodemoplossing is slechts 0,04 tot 0,6 mg fosfaat per liter aanwezig. Per bouwvoor van 25 cm is dit ongeveer 0,1 tot 1,5 kg/ha. Wordt uit deze voorraad fosfaat opgenomen dan moet die worden aangevuld uit het niet-opgeloste fosfaat. Het niet-opgeloste fosfaat kan worden opgedeeld in een stabiele en een labiele pool. Het labiele fosfaat is in evenwicht met de bodemoplossing en kan vrij snel fosfaat naleveren. De stabiele pool is slecht oplosbaar en de bijdrage van deze pool aan de fosfaatvoorziening van het gewas in een gegeven jaar is dan ook gering. De labiele pool kan worden aangevuld door middel van bemesting en door mineralisatie vanuit de stabiele pool.

Terug naar het project ‘Vruchtbare Kringloop Achterhoek en Liemers’: Een verschil van 20 kilogram op een totale bodemvoorraad van 1500 kilogram is beperkt (ruim 1 %), mits de labiele pool voldoende in staat is fosfaat na te leveren. Dit hangt weer af van de omvang van de stabiele pool en het organisch gebonden fosfaat. Met andere woorden het organische stofgehalte van de bodem. Nu was 2014 voor grasland ook een groeizaam jaar en het is de vraag of een dergelijke verschil tussen onttrekking en toediening zich elk jaar voor zal doen, maar dat beiden dichter bij elkaar komen te liggen is duidelijk.

Moraal van het verhaal: er is vooralsnog voldoende fosfaat aanwezig in de bodem. Van belang is de beschikbaarheid ervan voor het gewas. Deze wordt enerzijds bepaald door de bemesting en anderzijds door de nalevering door de bodem. Voor dit laatste is het belangrijk dat het organische stofgehalte van de bodem op peil blijft en er zodoende voldoende fosfaat beschikbaar is. Voor wat betreft het eerste wordt het met de lagere gebruiksnormen steeds belangrijker dat de juiste hoeveelheid fosfaatmeststoffen op het juiste moment, op de juiste plek  wordt gebracht.